3. Grafheuvels

In de bronstijd zag het landschap van Twente er anders uit dan nu, maar je zou het nog wel herkennen. Op de hogere zandgronden in het noordoosten lagen heuvels en ruggen. Daar waren bossen, open plekken en heide. Mensen woonden hier in houten boerderijen, met kleine akkers eromheen.

Tussen de hogere delen lag lager en natter land. Daar waren beekdalen, moerassen en veen. Mensen haalden daar water, vis, riet en ander voedsel. Zo ontstond een landschap met droge plekken om te wonen en te boeren, en natte plekken voor water en extra voedsel.

In het begin van de bronstijd begroeven mensen hun doden in een kuil. Daarna maakten ze er een heuvel van zand overheen: een grafheuvel. Die lagen vaak op hogere grond, dicht bij de huizen. De doden lagen meestal op hun zij, met gebogen knieën. Soms lagen ze in een houten kist of een uitgeholde boomstam. Vaak kregen ze spullen mee, zoals potten of sieraden.

Archeologen leren hier veel van. Ze onderzoeken graven en voorwerpen om te begrijpen hoe mensen toen leefden.