6. Los Hoes – weven
Ga naar plattegrond Hal 1
Je kijkt naar een horizontaal weefgetouw uit ongeveer 1650. Dit type weefgetouw werd al eeuwen eerder gebruikt.
Boeren maakten vroeger zelf hun kleding, lakens en dekens. Vooral in de winter, als er weinig werk op het land was, werd er veel gesponnen en geweven. Wat zij overhielden, verkochten ze voor extra inkomen.
Bij het weven liepen de lange kettingdraden strak over het weefgetouw. Met pedalen gingen sommige draden omhoog en andere omlaag. Zo ontstond een opening. Daar wierp de wever de inslagspoel doorheen. De weeflade met het riet duwde de inslagdraad stevig tegen het doek. Het riet werkte ook als een kam: elke kettingdraad liep door een eigen opening.
De stof op dit weefgetouw had oorspronkelijk nog geen kleur. Linnen werd vaak pas later gebleekt en eventueel geverfd. Wel werd er gestreepte stof voor rokken geweven, meestal met blauwe strepen. Daarin zat vaak een linnen ketting en een wollen inslag.
Er werd gewerkt in een kleine, vochtige kamer. Daardoor braken de draden minder snel. Een ervaren wever kon per dag ongeveer twee meter stof maken. De stof was ongeveer zeventig tot tachtig centimeter breed.