5. Los hoes – spinnen op het spinnewiel

Ga naar plattegrond Hal 1

Met een spinnewiel kon men sneller spinnen dan met een spintol. Het spinnewiel werd in de middeleeuwen in Europa bekend. Vanaf de vijftiende eeuw kwamen ook modellen met een voetpedaal. Daardoor had de spinner beide handen vrij voor het spinnen.

Met een spinnewiel maakte men garen van verschillende vezels, zoals vlas en wol. De vlasvezels werden losjes op een spinrok gelegd. Dat is een stok die aan het spinnewiel vastzit. De vezels bleven zo in dezelfde richting liggen. De spinner trok steeds een klein deel van de vezels los en draaide die tot een draad.

Spinnen vroeg veel aandacht. De draad moest dun en gelijkmatig worden. Met de voet zette de spinner het wiel in beweging. Met de ene hand trok die vezels uit het spinrok. Met de andere hand leidde die de vezels naar het wiel. Ging dat niet goed, dan raakte je de draad kwijt en moest je opnieuw beginnen.

Vlas werd voor fijn garen vaak nat gesponnen. De spinner maakte de vezels en de vingers daarbij vochtig. Grovere vlasgarens konden ook droog worden gesponnen.

Het gesponnen garen werd op een spoel gewikkeld. Twee draden konden daarna in elkaar worden gedraaid. Dat heet twijnen. Zo ontstond een sterker garen.