7. Bedrukken van stoffen

Ga naar Plattegrond hal 2

In de zeventiende eeuw brachten VOC-schepen katoenen stoffen uit India naar Europa. Een bekende stof was sits. Dat was katoen met kleurrijke patronen van bloemen, planten en andere motieven.

In Europa gebruikte men toen vooral linnen en wol. Zijde was vooral voor rijke mensen. Katoen was zacht, licht en soepel. De kleurige patronen van sits vielen daarom erg in de smaak.

In het begin was sits duur. Rijke mensen gebruikten de stof bijvoorbeeld voor behang, stoelbekleding en kamerjassen. Zo’n kamerjas werd ook wel een Japonsche rok genoemd.

Sits werd steeds populairder. Daarom ontstonden in Europa katoendrukkerijen. Daar probeerde men de Indiase stoffen na te maken. De techniek van het drukken en verven werd gedeeltelijk overgenomen. De Europese, gedessineerde katoenen stoffen werden indiennes genoemd. Ze waren goedkoper dan de ingevoerde sits.

Ook in Twente werd textiel bedrukt. In deze vitrine zie je houten drukblokken en een druktafel uit ongeveer 1800. In elk blok was een motief uitgesneden. Er werd niet eenvoudigweg verf op de stof gesmeerd. Soms gebruikte men een middel dat de kleur op bepaalde plaatsen tegenhield. Dit heet reservedruk. Bij een andere techniek gebruikte men een metaalzout. Dat zorgde ervoor dat de kleurstof zich juist op bepaalde plaatsen aan de vezels hechtte.

Voor elke kleur was een apart drukblok nodig. Bij drie kleuren moest de stof dus drie keer precies op de goede plaats worden gedrukt. Dat was heel precies werk.