14. Spinmachines

Ga naar Plattegrond hal 3

Je staat hier tussen grote spinmachines. Ze laten zien hoe ruwe katoen wordt veranderd in garen.

Katoen werd vanaf de negentiende eeuw steeds belangrijker in Twente. De katoen kwam samengeperst aan in grote balen. Een baal woog ongeveer 250 kilo. Boven in de vitrinekast zie je zo’n baal staan.

Eerst maakte een balenbreker de samengeperste katoen los. Daarna werden de vezels schoongemaakt en gemengd. Door vezels uit verschillende balen te mengen, kreeg men een gelijkmatige kwaliteit.

Vervolgens kwamen de vezels in de kaardmachine. Deze machine maakte de vezels los en legde ze netjes naast elkaar. Zo ontstond een zachte sliert. Die sliert noemen we een lont.

De lont werd daarna uitgerekt en een beetje gedraaid. Dat gebeurde eerst in een voorspinmachine en daarna in een fijnspinmachine. Zo ontstond het uiteindelijke garen.

Door de vezels sterker te draaien, werd het garen steviger. Met minder draaiing werd het zachter en soepeler. Soms werden twee of meer draden samengedraaid. Dat heet twijnen.